Vrijdag laatstleden lichtten Minister Didier Reynders en Minister Johan Vande Lanotte in het Antwerpse Stadhuis de  maatregelen voor de herinvlagging toe die dezelfde dag in het Staatsblad werden gepubliceerd.
Leo Baron Delwaide, havenschepen, was de gastheer.
Maandag 19 mei zou het eerste schip reeds daadwerkelijk ingevlagd worden en dan nog wel in een Belgische haven, nl. Zeebrugge. Het gaat om de LNG-tanker Methania, eigendom van CMB nv (Exmar).
Persbericht van de Belgische Redersvereniging
1. Inleiding

In de voorbije jaren werd vooral de nadruk gelegd op de redenen voor een consistent scheepvaartbeleid in harmonie met de Europese richtsnoeren van 1997 (OJ n°205 Notice 97/C 205/05). De aanmoediging tot invlagging werd door de Europese Commissie nogmaals hernomen in haar witboek op 12 september 2001: "Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen" (COM(2001)370).
In oktober 2001 leverde Policy Research Corporation NV de wetenschappelijke onderbouw voor een duurzaam Belgisch scheepvaartbeleid onder de vorm van een Economische Impact Studie (EIS(). Prof. Dr. Chris Peeters, die al eerder de Nederlandse regering in deze geadviseerd had en daarmee aan de basis ligt van het succes dat het Nederlandse Register kent sinds 1996, voerde de Belgische EIS( uit in opdracht van de Europese Commissie, het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - departement Leefmilieu en Infrastructuur (administratie Waterwegen en Zeewezen) en het departement Economische Zaken - en de sector, met name de Belgische Redersvereniging (koopvaardij en sleepvaart).
De studie diende om de discussie omtrent de noodzaak en de vorm van een duurzaam beleid voor de koopvaardij, de sleepvaart en de waterbouwsector in België te objectiveren. Het huidig beleid werd grondig geanalyseerd en geëvalueerd. Voorstellen voor een nieuw beleid werden geformuleerd en de effecten ervan op de Belgische economie werden berekend.
De nota van Policy Research voor de beleidsvoeders is beschikbaar op de website http://www.brv.be en de volledige EIS( kan op het secretariaat van de Belgische Redersvereniging bekomen worden.
Op 9 oktober 2001 verklaarde de regering zich bereid maatregelen tot herinvlagging van de vloot de ondernemen, in een globaal neutraal kader (verklaring Minister van Financiën n.a.v. de federale beleidsverklaring: "hervorming vennootschapsbelasting & ruling").
In samenwerking met Andersen belastingconsulenten en de respectievelijke medewerkers van de Ministers van Financiën en Begroting werd op 22 februari een voorstel tot ontwerp van bijzondere wet houdende fiscale maatregelen voor de zeescheepvaart, met memorie van toelichting, afgeleverd. Al de maatregelen werden getoetst op hun budgettaire neutraliteit, zodat de opbrengsten (direct en indirect) voor de schatkist enkel positief konden zijn, zoals verder aangetoond.
Op 15 juli 2002 stemde het Parlement in met de laatste maatregelen die de herinvlagging van de Belgische vloot moeten mogelijk maken. Op 2 augustus gaf de Senaat eveneens zijn fiat.
Drie jaar intense samenwerking tussen regering en privé-sector hebben uiteindelijk vruchten afgeworpen. Zelfs de oppositie heeft een belangrijke bijdrage geleverd.
Niettegenstaande de regering de getroffen maatregelen reeds in juni 2002 aanmeldde, duurde het tot in maart 2003 vooraleer de Europese Commissie haar goedkeuring verleende.
Op de Ministerraad van 4 april 2003 werd het KB tot uitvoering van de Wet goedgekeurd, dit KB werd op 7 mei door de Koning ondertekend.
2. België als maritieme natie
Europese Koopvaardijvloot
B DK D EL E F IRL I L NL A P FIN S UK EU 15
Gecontroleerde vloot
Aantal 117 639 2056 3225 230 201 35 572 2 631 40 54 127 344 612 8885
mio dwt 5.8 17.9 32.5 142.2 3.7 5.4 0.14 12.7 0.01 5.1 0.8 1.2 1.8 10.3 17.7 257.3
Nationale vlag
Aantal 1 347 449 764 127 120 24 448 2 473 23 38 96 160 244 3316
mio dwt 0.00 7.72 7.7 42.32 1.67 3.32 0.11 8.50 0.01 3.04 0.12 0.46 0.97 1.50 7.31 84.8
Vreemde vlag
Aantal 116 292 1607 2461 103 81 11 124 - 158 17 16 31 184 368 5569
mio dwt 5.85 10.17 24.82 99.84 2.01 2.01 0.03 4.22 - 2.11 0.68 0.73 0.79 8.77 10.41 172.5
Aandeel van de vreemde vlag in de gecontroleerde vloot
Aantal 99% 46% 78% 76% 45% 40% 31% 22% - 25% 43% 30% 24% 35% 60% 36%
mio dwt 100% 57% 76% 70% 55% 39% 23% 33% - 41% 86% 61% 45% 85% 59% 67%
 
Een eerste en meest in het oog springende conclusie is dat de Belgische eigenaars een substantiële vloot controleren (in tonnage) die groter is dan die van andere traditionele maritieme naties zoals Nederland, Spanje en Frankrijk.

Anderzijds valt het grote aandeel van de vreemde vlaggen in de Europees gecontroleerde vloot zoals Nederland dat in 1996 de tonnage taks invoerde op basis van de aanbevelingen van de Belgische Prof. dr. Chris Peeters, vormt daarop een uitzondering.
Meer dan 60% van de Europese vloot vaart nog steeds onder vreemde vlag. In 2002 werden echter verschillende Europese tonnage tax regimes goedgekeurd (o.a. Denemarken, Ierland, Finland, Spanje) die deze trend zullen ombuigen. België is overigens het 9e land dat een forfaitaire winstbepaling voor zeescheepvaart in Europa invoert.
3. Economische impact

3.1 De economische betekenis
De economische betekenis van de scheepvaartcluster bestaat uit twee componenten: de directe betekenis vanwege de scheepvaartondernemingen zelf en de indirecte betekenis vanwege de aankopen van deze ondernemingen in de rest van de Belgische economie.

De directe economische betekenis van de scheepvaartcluster in termen van toegevoegde waarde bedroeg 424 miljoen € in het jaar 2000. Daarvan werd 218 mio € (of 52%) gegenereerd door de waterbouwsector, 47 mio € (of 11%) door de sleepvaartsector en 159 mio €(of 37%) door de koopvaardij.
De directe tewerkstelling in de cluster bedroeg 6 750 personen.

Indirect, via haar aankopen in de rest van de economie, biedt de Belgische scheepvaartsector werk aan 4 720 personen en induceert ze een bijkomende toegevoegde waarde van 265 mio €.

In totaal, dus inclusief de effecten van de toeleveringsindustrie, genereert de Belgische scheepvaart een toegevoegde waarde van 689 mio €. Ze biedt daarmee werk aan 8 765 Belgische residenten en 2 705 niet-residenten. Van de totale toegevoegde waarde wordt 64% of 441 mio € besteed in België. De terugvloei naar de overheid betreft 206 mio € per jaar, de binnenlandse investeringen 136 mio € en de consumptie 99 mio €.

De ratio bestedingen op toegevoegde waarde is relatief hoog voor de waterbouw (72%) en sleepvaart (70%) en laag voor de koopvaardij (43%) doordat de zware investeringen in de vloot vanwege de koopvaardij wegvloeien naar het buitenland.

De totale toegevoegde waarde van de Belgische scheepvaartcluster vormt 0.3% van het Bruto Binnenlands Product.
3.2 De directe werkgelegenheid

In termen van directe werkgelegenheid werden door de Belgische scheepvaartbedrijven in 2000 4 500 zeevarenden en 2 250 personen aan wal tewerkgesteld. Circa 43% van de zeevarenden en bijna 95% van het walpersoneel betreft Belgen en Belgische residenten.

De koopvaardij biedt het meeste werkgelegenheid voor zeevarenden (55%) en het minst voor walpersoneel (20%). In de waterbouw is het net andersom. Het groot aantal niet-Belgen en niet-Belgische residenten in de koopvaardij is een direct gevolg van de uitvlagging en de afwezigheid van een sterke Belgische vlag als aantrekkingspool voor jongeren. Deze trend manifesteert zich nu ook in de waterbouw. In de sleepvaart vindt men procentueel nog het grootste aantal Belgen en Belgische residenten.

In totaal biedt de Belgische scheepvaartcluster, direct en indirect, werk aan circa 11 470 personen, waarvan 8 765 Belgen of Belgische residenten. Van de 6 750 direct werkzame personen is 60% Belg, of in aantal personen 4 045. De 4 720 indirect werkzame personen betreffen vrijwel uitsluitend Belgische residenten (95%).

3.3. Economische effecten : conclusies

Er worden hier twee beleidsalternatieven voorgesteld nl. 'de voortzetting van het huidige beleid' (scenario () waarbij de tijdelijke loonmaatregelen eindigen en scenario (( 'duurzame Belgische vlag' met een geïntegreerd scheepvaartbeleid zoals voorzien in de Wet van 2/8/2002.

De resultaten van deze beleidsalternatieven worden hieronder samengevat:
 
(Meer)opbrengsten van een duurzame 'Belgische vlag'  (II) t.o.v. 'voortzetting huidig beleid' (I)
 (in 2020):
 
(Meer)kosten van Scenario (II) t.o.v. Scenario (I)  (in 2020):
 
 
+ 397 mio Euro in termen van toegevoegde waarde.
+ 248 mio Euro aan bestedingen in de Belgische economie waarvan 74 mio Euro bijkomende inkomsten voor de overheid.
+ 6300 arbeidsplaatsen waarvan 3500  in de cluster zelf (6000 Belgen)
Zijn laag (enkel fiscaal maatregel)
Scenario II levert - netto - hogere inkomsten voor de overheid op (ondanks 'gederfde inkomsten' van 125 mio Euro ten gevolge van het verlenen van vrijstelling in de sector)
in geval van voortzetting huidig beleid zijn de 'gederfde' inkomsten zeer laag wegens het wegtrekken van scheepvaartactiviteiten naar het buitenland, 1250 mensen verliezen hun baan waaronder 900 Belgen.
 


Tegenover de jaarlijkse meeropbrengst (in 2020) van 397 mio € aan toegevoegde waarde en 248 mio € aan bestedingen in de Belgische economie (waarvan 74 mio € aan terugvloei naar de overheid), staat dat de jaarlijkse gederfde inkomsten in het scenario - Duurzame Belgische vlag - 47 mio € hoger liggen dan in Scenario (. Deze gederfde inkomsten, die het rechtstreekse gevolg zijn van het verlenen van vrijstellingen op de lonen van zeevarenden in de Belgische scheepvaartcluster, stijgen vermits de werkgelegenheid toeneemt en de vrijstellingen bijgevolg op meer werknemers van toepassing zijn. De gederfde inkomsten impliceren het behoud van de scheepvaartsector en leveren aldus - in absolute termen - hogere inkomsten voor de overheid op.

Voortzetting van het huidig beleid (scenario () zal de internationale concurrentiepositie van de Belgische scheepvaartcluster sterk verzwakken en het behoud van werkgelegenheid voor Belgische zeevarenden op termijn onmogelijk maken. Het duurzame beleidskader zal de totale toegevoegde waarde van de Belgische scheepvaartcluster tegen 2020 kunnen doen oplopen tot bijna 868 mio € en daarmee werk bieden aan bijna 11 000 Belgische residenten.

Het voorgestelde nieuwe beleid garandeert continuïteit inzake het behoud van maritieme kennis. In dit geval wordt een strategisch minimale instroom van zeevarenden gewaarborgd, waardoor optimaal de behoeften van andere partijen - vooral van de havensector - ingevuld kunnen worden. De scheepvaart vormt een valabele voedingsbodem voor de maritiem gerelateerde industrieën. Hooggeschoolde en ervaren experten - officieren groeien immers door tot hoekstenen van de publieke en private maritieme dienstverlening.

Voortzetting van het huidig defensief beleid zal, op langere termijn, een belangrijk verlies aan maritieme kennis en eigen reddingscapaciteit inhouden waarmee de concurrentiepositie van onze havens in het gedrang komt. Beslissingscentra zullen uit België verdwijnen, wat gepaard gaat met een beduidend verlies aan toegevoegde waarde, bestedingen, economische diversiteit en kritische massa maritieme kennis. Tegen 2020 zal het verlies aan toegevoegde waarde ten opzichte van de huidige situatie jaarlijks meer dan 198 mio € bedragen. Circa 4 000 Belgen zullen hun baan verliezen.

Een duurzaam beleid zal echter leiden tot behoud van Belgisch marktleiderschap in bepaalde (hoogwaardige) niches (bvb. gastankers) en aantrekking van nieuwe activiteiten als gevolg van een gunstiger investeringsklimaat.

Een dergelijk beleid zal tevens de maritieme veiligheid verzekeren via de bestrijding van concurrentievervalsende substandaard scheepvaart en bijdragen tot de opbouw van het positief imago van België aangezien de overheid de controle heeft over tewerkstelling, werkomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en veiligheidsvoorzieningen aan boord.

Het verlies van de scheepvaartcluster en maritieme kennis is een onomkeerbaar proces.
4. Bemanning

Er is een wereldwijd tekort aan officieren.

In april 2000 publiceerde de International Shipping Federation in samenwerking met BIMCO een rapport betreffende de vraag/het aanbod van zeelieden wereldwijd.

De opgemaakte statistieken spreken voor zich :
Supply and Demand in 2000
Supply
Demand
Balance
Officers
404000
420000
-16000
Ratings
823000
599000
+224000
Supply - Demand Balances
2000 2010
Officers -16000 -4 -46000 -12
Ratings +224000 +27 +225000 +30

De Europese Commissie schat het tekort aan zeevarenden in Europa alleen al op 36 000 (Witboek: 'Het Europees vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen' (COM2001/370))! Gezien de omvang en de maatschappelijke impact van de maritieme cluster kan ons land niet aan deze neerwaartse spiraal ontsnappen. Daarenboven biedt de maritieme industrie in België al jaren meer werkgelegenheid dan er kandidaten zijn en de extensieve nieuwbouwprogramma's van de diverse sectoren maken de tekorten nog pregnanter. Dit tekort aan officieren zal ook aan wal gevolgen hebben op de maritieme cluster (minder officieren die kunnen kiezen voor een wal carrière na een zee carrière).
Dank zij diverse reclamecampagnes (spotjes op TV1 en in de bioscoop, mailings, ...) steeg het aantal studenten aan de Hogere Zeevaartschool de afgelopen twee jaar met 25% (van 255 naar 337 studenten). Dit is echter nog steeds veruit onvoldoende voor de noden van de industrie De HZSA behoort tot de associatie rond de Universiteit Antwerpen (UA).
 
Academici in opstand tegen Bologna
23/09/2002 - 08:47
BRUSSEL (BELGA) 129 academici uit universiteiten en hogescholen roepen via een opiniestuk in De Standaard op de Bologna-hervorming van het hoger onderwijs stop te zetten tot bewezen is dat ze een verbetering inhoudt. Het doel van Bologna is de nationale hogeronderwijssystemen op mekaar af te stemmen. In "Het schandaal van Bologna" verwijten de academici de Vlaamse overheid lichtzinnig mee te lopen in een Europese tendens en de kwaliteit van het hoger onderwijs op te offeren. Ze vrezen de overheersing van het hoger onderwijs door grote bedrijven en ze vrezen ook dat vooral rijkere studenten beter af zullen zijn. Onderwijsminister Marleen Vanderpoorten verdedigt haar beleid. De pan-Europese hervorming waaraan bijna 40 landen deelnemen, zal toch doorgaan, of het piepkleine Vlaanderen daarmee nu gelukkig is of niet. (DWM)
BELGABRIEF/GENERAL/ONDERWIJS/BELGIE/MEDIA
Gelezen in "De Morgen" van Zaterdag 25 mei 2002
Eerste bachelors en masters studeren in 2005 af
Brussel
Belga
De Vlaamse regering heeft principieel het decreet goedgekeurd over de herstructurering van het hoger onderwijs in uitvoering van de Bolognaverklaring, die het hoger onderwijs in Europa harmoniseert. Vanaf het academiejaar 2004-2005 zullen aan hogescholen en universiteiten bachelor- en mastertitels worden uitgereikt ter vervanging van de huidige kandidaturen en licenties. Met het decreet behoort Vlaanderen tot de koplopers in de uitvoering van de Bolognaverklaring, zo zei onderwijsminister Marleen Vanderpoorten (VLD) na afloop van de vlaamse ministerraad. Zij wil de huidige studieduur van vier jaar behouden. Wel komen er in principe drie bachelorjaren en één masterjaar. Alle masteropleidingen (dus ook de rechtenstudies) zullen moeten worden afgerond met een masterproef.  Zowel hogescholen als universiteiten zullen masteropleidingen kunnen aanbieden. Ook academiscb gerichte bacheloropleidingen kunnen aan beide types instellingen. De Katholieke Universiteit Brussel (KUB) wordt niet in de associaties opgenomen maar kan wel bachelordiploma's uitreiken. De gefuseerde Universiteit Antwerpen daarentegen krijgt een uitbreiding van haar onderwijsbevoegdheid. Het gaat om filosofie, geschiedenis en toegepaste biologische wetenschappen in de tweede cyclus en onderwijskunde in de eerste en tweede cyclus. In het nieuwe Bologna-systeem zal niet meer met studiejaren, maar met credits of studiepunten worden gewerkt. Een bacheloropleiding vertegenwoordigt 180 punten, een master 60 punten. Studenten die in juni 2005 afstuderen zullen bachelor- en masterdiploma's krijgen uitgereikt. De huidige titels zoals licentiaat zullen verder gevoerd kunnen worden.
Gelezen in "De Standaard" van  Maandag 29 april 2002
Studieduurverlenging niet uitgesloten
BRUSSEL -- Universiteiten en hogescholen die het raadzaam vinden de duur van een opleiding te verlengen, krijgen daartoe de kans bij de hervorming van het hoger onderwijs die op stapel staat. Ze moeten dan wel het risico nemen dat ze zo'n extra jaar zelf moeten financieren.
Gelezen in "De Morgen" van  Maandag 21 mei 2001Kwaliteit blijft twistappel voor Bologna-landen Conferentie in Praag levert weinig concreets op

De ronkende principes van de Bologna-verklaring omzetten in de onderwijspraktijk van 31 landen zal nog bloed, zweet en tranen kosten. Alleen al om tot een systeem van kwaliteitserkenning van de toekomstige bachelor- en master-opleidingen te komen, lijkt het water tussen de 'Bologna-landen' nog heel diep. Dat mochten de Vlaamse minister van Onderwijs Marleen Vanderpoorten (VLD) en haar Neder­landse collega Loek Hermans (VVD) ondervinden bij de voorstelling van hun gemeenschappelijk 'accrediteringsproject' de afgelopen dagen in Praag.

Berichtgeving Bart De Schrijver

Tot een overzichtelijke, Europese onderwijsruimte komen tegen 2010, dat is de doelstelling van de Bologna-verklaring die op 19 juni 1999 werd ondertekend door 29 ministers van onderwijs. In alle ondertekenende landen zou de  huidige complexe gradenstructuur in het onderwijs vervangen moeten worden door een under­graduate/graduate-structuur: de student doorloopt eerst een cyclus van minimaal drie jaar en beëindigt die met een bachelor-diploma. Nadien kan hij of zij worden toegelaten tot de master-studie. De achterliggende filosofie is dat het Europese hoger onderwijs in de toekomst een sterkere internationale profilering moet krijgen, en dat in overeenstemming met de eengemaakte markt van goederen en diensten bachelor en master-diploma's overal in Europa erkend moeten worden. Om te zien hoever de deelnemende landen staan met de uitvoering van de Bologna-verklaring in onderwijsstructuren zaten de ministers vorig weekend rond de onderhandelingstafel in de Tsjechische hoofdstad Praag. Nieuwkomers waren Turkije, Cyprus en Kroatië, landen die ook kandidaat zijn om toe te treden tot de Europese Unie. Het gevoeligste punt op de agenda was de zogenaamde 'accreditering': om opleidingen internationaal te erkennen binnen Europa zullen kwaliteitscriteria worden uitgeschreven waaraan opleidingen moeten voldoen. Voor de studenten houdt dit een garantie in dat ze een diploma in elk 'Bolognaland' kunnen verzilveren.
En hierover was de eensgezindheid ver te zoeken. "De meningen bij de ministers zijn heel verschillend over wat kwaliteit is omdat kwaliteit soms een bedreigende term is voor minder “goede onderwijsinstellingen" zegt de Leuvense rector André Oosterlinck, die als bestuurslid van de European University Association (EUA) aanwezig was op de conferentie. Volgens Oosterlinck maakt het groot aantal deelnemende landen het moeilijk om concrete afspraken te maken. Bovendien riskeren de EU ­lidstaten en de Oost-Europese landen in verschillende snelheden de Bologna-verklaring in te voeren, aldus de rector. Minister van Onderwijs Marleen Vanderpoor­ten (VLD) en haar Nederlandse collega Loek Hermans (VVD) trachtten de conferentie te overtuigen van een erkenningsysteem waarbij enkele 'sterke' regio's zoals Vlaanderen, Catalonië en Rijnland-Westfalen, een voortrekkersrol zouden spelen in het uitwerken van de accreditering. Het voorstel werd alleen als 'proefproject' aangenomen. Een volgende conferentie vindt plaats in het najaar van 2003 in Berlijn.
André Oosterlinck: 'Voor sommige minder goede onderwijsinstellingen is kwaliteit een bedreigende term'  
Gilbert calls for a uniform standard of training and qualifications.
As the ISM Code finally comes into being Harry Gilbert of Wallem Shipmanagement is suggesting that there should be a uniform standard for training and qualifications. THIS MONTH the long-awaited ISM Code finally comes into force. After all the anticipation and preparation, its introduction may turn out to be an anti-climax. But already the industry is beginning to look further ahead to what the next step might be.
Harry Gilbert, managing director of Wallem Group, the world's largest ship manager, favours the establishment of uniform training and qualifications for seafarers around the world if the ISM Code is to accomplish its objective.
He said seagoing staff of all nationalities should be trained under the same curriculum, sit the same examinations and should be issued with internationally recognised certificates. "ln other words, we should be aiming for an internationally common high standard of training and certification."
Such a suggestion is usually met with the objection that this would infringe the sovereign rights of countries. But Mr Gilbert said he could not accept that argument. "If a country wishes its seafarers to operate ships internationally then it must be prepared to train them to internationally accepted standards."
If all certificates were of the same standard then the port state control inspector and the ISM Code auditor would know, when they visited the vessel and inspected the crew's certificates, that they were genuine and that the crew had been properly trained.
The training provided, meanwhile, must result in the individual actually being able to put into practice what he has learned, he said. "Performance standards most be the driving force. not the ability to learn and regurgitate that learning at a written examination."
In Mr Gilbert's view once issued, certificates of competency must also be subject to periodic revalidation. This would require the holder to take further examinations, written or oral, or preferably by the use of simulators. The revalidation should be carried out in whichever port the vessel happened to be at the time the revalidation was due.
Such a system would serve to radically level the playing field and would also help to identify those countries which were not training their seafarers to the correct standard. "It happens in the airline industry so why is it not possible in the marine industry?" he asked.
Training necessities
"Good training is not a luxury in international shipping," Mr Gilbert said. "It is essential in order to ensure that ships are run efficiently and that means safely and without harm to the environment."
The achievement of a uniform, adequate and measurahle standard of training was also necessary if the revised STCW Convention were to be effective. In turn. he said. only if the STCW Convention was implemented successfully would the ISM Code achieve its goals. "There is absolutely no point in expecting the ISM Code to he effective if the people onboard ships are not trained to an adequate standard," he said.
As with the STCW Convention, the policing of the ISM Code would largely fall to port state control authorities around the world. He did, however. question how it would he possible to decide on criteria to measure the success of the code in the absence of common standards.
He also called for commonality of shipboard technology, arguing that ships of the same type should he designed and built to the same standards and with the same equipment and systems. This would make it much easier to train people by allowing the use of common simulators for everything from navigation to cargo management.
Seagoing staff of all nationalities should be trained under the same curriculum, sit the same examinations and be issued with internationally recognised certificates.We should be aiming for an internationally common high standard of training and certification